Nederlands

Nederlands

 

Les een. - Welkom aan de Nederlands.  

Les. Een. Welkom. Taal. /1.0/.

 

Goedendag, mijn vriend. Hoe gaat jij? Goed bedankt.

Goedendag. Vriend. Hoe. U. Zijn. Goed. Dank. /1.1/.

Slecht. Ik ben droevig. /1.2/.

 

Wat is uw naam? Mijn naam is Bloem. Een mooie naam. /

Wat. Naam. Ik. Bloem. Mooi. /1.3/.

Steen. Hoop.Licht.. Droom. Recht. Moed. /1.4/.

 

Tevreden, waar is een mooie plaats? Ga naar het water. Vaarwel.

Tevreden. Waar. Plaats. Ga. Aan. Water. Afscheid. /1.5/.

Interessante. Speciaal. Schone. Natuurlijk. Aarde. /1.6/.

 

Is het hier het water? Ja, hier is het water. Kom in.

Hier. Ja. Kom. In. /1.7/.

Lucht. Brand. Niet. Verlof. Uit. Deur. Open. Sluit. /1.8/.

 

 

Les Twee. - Kopen en verkopen.

Twee. Koop. En. Verkoop. /2.0/.

 

Wat wilt u? Ik wil wat brood. Ik heb niet/. Hier hebt u.

Willen. Brood. Heb. /2.1/.

Vrucht. Voedsel. Drank. /2.2/.

 

 Hoeveel het is? Geef me drie muntstukken.

Hoeveel? Geven. Drie. Muntstuk. /2.3/.

Vier. Vijf. Document. Zaken. /2.4/.

 

Ik houd niet van dit potlood. U heeft een blauw potlood?

Houden van. Dit. Potlood. Blauw. /2.5/.

Boek. Doos. Geel. Groen. Rood. /2.6/.

 

Dat is teveel. Ik geef u twee muntstukken. Het is zeer weinigen.

Teveel. Weinig. /2.7/.

Verandering. Handtas. Zes. Zeven. Acht. Negen. /2.8/.

 

 

Les Drie. - Ik stel mijn familie aan u voor.

Voorstel. Familie. /3.0/.

 

Hoe oud bent u? Ik ben tien jaar oud.

Oud. Tien. Jaar. /3.1/.

Maatregel. Elf. Twaalf. Dertien. Veertien. /3.2/.

 

Wie is uw grootvader? Hij is de man die het witte haar heeft.

Wie. Grootvader. Hij. Mens. Wit. Haar. /3.3/.

Moeder. Vader. Vrouw. Zwart. Kleding. Schoenen. Vlag. /3.4/.

 

Hoeveel kleinzonen heeft er? Wij zijn vijftien kinderen.

Kleinzoon. Wij. Vijftien. Kind. /3.5/.

 Zoon. Jongen. Zestien. Zeventien. Achttien. Negentien. Kleur. /3.6/.

 

Welke is het beroep van uw zuster? Zij is een arts.

Beroep. Zuster. Arts. /3.7/.

Neef. Student. Leraar. Arbeider. Boer. Kunstenaar. Politie. /3.8/.

 

 

 

Les Vier. - Spel met ons.

Spel. Met. /4.0/.

 

Wat houdt van u te doen? Ik houd van sporten en ook om muziek te horen.

Doen. Sport. Ook. Hoor. Muziek. /4.1/.

Kennen. Verfen. Zwemmen. Lopen. Lezen. Schrijven. slaapen. Bal. Fiets. /4.2/.

 

Wanneer het spel zal zijn? Morgen in de avond.

Wanneer. Zal zijn. Morgen. In de avond. / 4,3/.

Gebeurtenis. Vergadering. Protest. Overleg. Theater. Vandaag. Ochtend. Nacht. /4.4//.

 

Welke tijd is het? Het bedraagt zes uur twintig minuten.

Tijd. Uur. Twintig. Minuten. /4.5/.

Vijfentwintig. Dertig. Veertig. Vijftig. Half. Een kwart. Altijd. Nooit. /4.6/.

 

Hij zijn er plaatsen? Er zijn enkele stoelen vrij.

Wat. Vrij. Stoel. /4.7/.

Gebied. Spoor. Lijst. Niets. Allen. Machine. Auto. Elektrisch. /4.8/.

 

 

Les Vijf. - Vertel ons uw verhaal.

Vertel. Verhaal. /5.0/.

 

Luister aan dit verhaal. Is hebben vijf duizend jaar geleden. 

Duizend. Geleden. / 5,1/.

Gisteren. Zestig. Zeventig. Tachtig. Negentig. Honderd. Maand. Week. /5.2/.

 

Een leeuw en een paard waren in het bos. Zij joegen samen.

Leeuw. Paard. In. Bos. Jacht. Samen. /5,3/.

Hond. Kat. Koe. Vogel. Vissen. Koning. Huis. Strand. School. /5.4/.

 

Wat gebeurde daarna? De leeuw verdeelde de prooi in twee delen.

Daarna. Verdeel. Prooi. Deel. /5.5. /

Voordien. Voor. Achter. Over. Onder. Dichtbij. Ver. Dier. Plant. Ding. /5.6/.

 

Tenslotte heeft de leeuw gezegd: Één deel is voor me, en andere is ook.

Tenslotte. Voor. Andere. /5.7/.

Verschijn. Verdwijn. Maak bang. Wapen. Land. Rijk. Slecht. Oorlog. Vrede. /5.8/.

 

 

 

Les Zes. – Geef ons uw advies.

Advies. / 6,0/.

 

Wat denkt u over het paard? Hij was zeer vriendelijk.

Denkt. Op. Vriendelijk. /6.1/.

Liefde. Politiek. Godsdienst. Geslacht. Het leven. Dood. Nuttig. Noodzakelijk. Belangrijk. /6.2/.

 

Gaat u akkoord? Niet. Waarom? Omdat hij dwaas was.

Akkoord. Waarom. Omdat. Dwaas. /6.3/.

Knap. Solidariteit. Gemakkelijk. Moeilijk. Normaal. Vrees. Wetenschap. Waar. Lig. /6.4/.

 

Wat betekent dit woord?? Hij zou niet met de leeuw.

Betekenen. Word. Moeten. /6.5/.

Gelijke. Verschillend. Meer. Minder. Lelijk. Gelukkig. Glimlach. Geduld. /6.6/.

 

Ik begrijp niet. Kunt u het herhalen? De sterkte betekent niet de rechtvaardigheid.

Begrijpen. Kunt u? Herhaal. Sterkte. Rechtvaardigheid. /6.7/.

Hulp. Volg. Neem waar. Eerbied. Geluk. Verdien. Probeer. Leeren. Wet. Stem. /6.8/.